Aroldo

Terecht hebben deze twee versies van Verdi’s opera twee titels. Practisch zijn het twee totaal verschillende werken. Stiffelio dateert van 1850, precies tussen Luisa Miller en Rigoletto in. Aroldo uit 1857 tussen Boccanegra en Ballo in Maschera. Verdi schreef de tweede versie feitelijk tegen zijn zin, omdat men afwijzend was tegenover het libretto van Stiffelio, dat voor Italië onbegrijpelijk was met een getrouwde priester in de tenorrol! Er kwam dus een volslagen nieuw tekstboek, en Verdi herzag een groot deel van de partituur, dit er uitschrapend, dat er bij componerend. Omdat Aroldo het latere werk is wordt het als de definitieve versie beschouwd, maar mijns inziens ten onrechte. Ten eerste staat het tekstboek van Stiffelio op een oneindig hoger plan. Het was een van Verdi ’s meer realistische opera’s, precies in het genre van Luisa Miller, en van de daarop volgende Rigoletto en Traviata. Aroldo was qua tekst een terugval op de romantiek van Ernani. Een zelfs met een der slechtste libretti die Verdi van Piave ontvangen heeft. Muzikaal heeft Aroldo meerdere fragmenten die we niet graag zouden missen, en de oplossing lijkt me dan ook verder maar aan te nemen dat Verdi twee werken geschreven heeft die beide hun verdiensten hebben. En hoe nuttig dat we beide op de plaat krijgen, zodat we beide versies aan onze discotheek kunnen toevoegen, en naast elkaar bestuderen. Beide zijn uitstekende uitvoeringen. Aroldo is een “live” opname van een New Yorkse concertuitvoering, met applaus na de ouverture en de actes, en zelfs tussentijds na geslaagde aria’s. Carreras is op zijn best in de titelrol van Stiffelio, die als persoonlijkheid heel wat dankbaarder is dan de bordpapieren ridder Aroldo. Manuguerra toont weer een van de meest prominente hedendaagse baritons te zijn (wat heeft die man feitelijk tot zijn vijftigste gedaan, dat hij nu pas tevoorschijn komt?). Ezio di Cesare was in Amsterdam in de overeenkomstige rol van Aroldo, Ganzaroli is stukken beter dan in Luisa Miller. Alleen Sylvia Sass zou ik liever vervangen hebben door Ricciarelli. Maria Venuti was enkele jaren geleden eerste prijs in Den Bosch. Gardelli’s leiding is idiomatischer dan die van zijn vrouwelijke kollega Queler. De Aroldo heeft het grote voordeel van Caballé boven Sass, terwijl Cecchele zelfs deze ridder een zo vokaal martiaal accent weet te geven dat hij er volledig in overtuigd. Juan Pons blijkt een fraaie lyrische bariton te zijn die we vaker hopen tegen te komen. De kleinere rollen zijn in Stiffelio beter bezet. Beide dus onmisbaar. Nu is Alzira nog de enige Verdi die op opname wacht.

Leo Riemens 1980

Bekijk Opera